Hoe de Spoorzone van ‘verboden stad’ transformeerde tot cultureel centrum

Purple Festival in de Spoorzone.

Het is bijna niet meer voor te stellen dat de Spoorzone, een gebied van ruim 40 hectare midden in de stad, ontoegankelijk was voor de Tilburger. Foto’s in de Lochal tonen deze week hoe het oude NS-terrein in de afgelopen jaren is veranderd. Waar ooit treinmotoren werden gestald en gerepareerd, wordt nu gedanst.

De transformatie van de Spoorzone werd een aantal jaar geleden in gang gezet en het is inmiddels een onmisbaar deel van het Tilburgse stadsbeeld.

Indrukwekkende transformatie
Ooit was het gebied met hoge hekken omringd en stond het bekend als ‘de verboden stad’. Sinds de 19e eeuw werd hier druk gesleuteld aan het herstel van treinen. Tegenwoordig vind je er uitgaansgelegenheden, restaurants, een theater, onderwijsinstellingen, woningen, het Spoorpark en de beroemde bibliotheek LocHal. 

In de laatstgenoemde is nu een foto expositie te zien over de Spoorzone. De foto’s zijn geschoten vanuit twaalf vaste gps-posities. Hiermee wordt de indrukwekkende transformatie blootgelegd die in 2013 begon. Het ontstaan van de Spoorzone begint echter al veel eerder.

Tilburg hoofdwerkplaats
In 1866 maakte de Staatsspoorwegen, voorloper van NS, bekend dat Tilburg samen met Zwolle was uitgekozen tot hoofdwerkplaats. Voortaan zouden hier kapotte treinen worden hersteld. Tilburg was de ideale kandidaat voor zo’n hoofdwerkplaats door een groot braakliggend terrein aan de noordzijde van het station. Dit terrein lag toen nog aan de rand van de stad. Omdat in de jaren daarna die bebouwing zich verder naar het noorden ging uitbreiden, kwam de Spoorzone in het hart van de stad te liggen.

In 1870 wordt de Tilburgse hoofdwerkplaats officieel geopend. Een jaar later werken er al bijna 300 vakmensen vanuit heel Nederland. Wanneer in de daaropvolgende jaren de Nederlandse Spoorwegen zich uitbreiden, groeit ook de hoofdwerkplaats. Een halve eeuw later, rond 1920, werken er meer dan 1400 mensen. Nu worden hier ook volledige locomotieven gemaakt. Er worden extra loodsen gebouwd voor houtbewerking en het gieten van ijzer. Stoommachines worden vervangen door motoren op elektriciteit en perslucht.

Tweede Wereldoorlog
Tijdens de Tweede Wereldoorlog nemen onze oosterburen de hoofdwerkplaats over. Heel netjes laten ze het niet achter. Wanneer de geallieerden naderen, beginnen ze de hoofdwerkplaats te vernietigen. Zo proberen ze de LocHal op te blazen, waarbij zes mensen om het leven komen. 

Na het wegjagen van de Duitsers kon de werkplaats weer worden opgebouwd. Zo grootschalig als voor de oorlog wordt het echter niet meer. Nieuwe technologische ontwikkelingen zorgen ervoor dat veel werkzaamheden vervangen werden. Ook stoomtreinen worden verleden tijd. In 1955 rijdt de laatste stoomlocomotief het terrein af. De jaren hierop worden de overgebleven werkzaamheden verder verdeeld over de rest van Nederland.

Sluiting
De werkplaats blijft krimpen. In 2009 werken er nog zo’n 250 mensen. Aan het einde van datzelfde jaar wordt bekendgemaakt dat de werkplaats definitief gaat sluiten. In 2011 koopt de gemeente het terrein op en liet er direct geen gras over groeien. Het station kreeg een veertig meter lange tunnel onder haar spoorlijnen doorgeschoven. Daarmee werd Tilburg centrum verbonden met de noordzijde van de stad. Ook het station zelf wordt vergroot en gemoderniseerd. 

En dat is nog maar het begin. Een aantal loodsen wordt neergehaald om de nodige ruimte te creëren. Andere loodsen blijven staan als cultureel erfgoed. Wie nu een dansje waagt in Club Smederij, doet dat in een loods die vroeger diende als standplaats voor treinmotoren.

Wie van het zonnetje geniet in het nieuwe spoorpark, geniet op een oud rangeerterrein. Wie een kop koffie drinkt in de LocHal zit in de ruimte  waar ooit locomotieven werden gerepareerd. En wie een hapje eet in restaurant Gourmet Market, bevindt zich in een loods met een draaischijf waarop ooit treinen werden gekeerd. Toen was dat een baanbrekende uitvinding, vandaag is het een herinnering aan een tijd die voorgoed voorbij is. 

David Bodelier